
Dag 21 – Vooruit fietsen, achteraf begrijpen
Een fietstocht is een merkwaardig iets. Je begint eraan met een route, een plan, misschien een droom. Je draait je trappers rond, dag na dag, en intussen gebeurt er van alles. Onderweg. In je hoofd. In je lijf. Maar pas als je stilstaat — écht stilstaat — begrijp je wat je hebt gedaan.
Vandaag fiets ik niet verder. Vandaag komt Ingrid me tegemoet, met Hein. Dat is onze camper. Voor wie het nog niet wist: het is een liefdesbaby van onze namen. De H en de E komen van Henrik, de I en de N komen van Ingrid. We hebben elkaar straks weer in de armen. In Namen, de eindplek van mijn omgekeerde pelgrimstocht.
Terugkijkend op deze 20 dagen voel ik vooral: verwondering. Verwondering over de afstand die ik heb afgelegd, maar ook over alles wat zich onderweg ontvouwde. De heuvels en vlaktes verwonderden me. Het zweten en zuchten hoorden erbij. Ik lachte met medefietsers. Het broodje kaas langs de rivier maakte het compleet. Het matje begaf het. Ik ontmoette een wandelaar die zijn knieën redde. De Canadees vertelde over zijn roots. De verrassing van een warme douche op een kille camping maakte indruk. Het was er allemaal.
En elke dag dacht ik: morgen weer verder. Dat is de kracht van fietsen. Je beweegt vooruit, letterlijk. Soms met tegenwind, soms fluitend naar beneden. Maar altijd met het voorwiel richting horizon. Je begrijpt onderweg niet precies waarom je dit doet. En toch blijf je gaan.

En dan komt het moment dat je afstapt. Zoals vandaag. Ik ben dankbaar dat ik gezond en heel ben gebleven. Dat ik dit kon en mocht doen. Dat ik de vrijheid had. En dat ik nu straks, in Namen, mijn tocht kan vieren — met Ingrid. En met Hein. We maken er nog een paar mooie dagen van. Even nagenieten. Even laten indalen.


Want zoals dat gaat met het leven: je fietst het vooruit. Maar je begrijpt het pas achteraf.

Relive
Ben jij al geabonneerd op onze nieuwsbrief?


Geef een reactie