
Dag 34 – De man die mijn foto maakte
“Zal ik een foto maken?”
Ik draai me om. Achter me staat een man die ik nog nooit heb gezien. Ik ben gestopt op Mont Soleil voor een foto van een bord dat te mooi is om voorbij te rijden. Een paar minuten later staan we te praten over Italië, Zwitserland en de weg die voor me ligt.
Maar de dag begint eerder.
Vannacht trok de wind stevig aan mijn tent. Regen sloeg tegen het doek en af en toe leek het alsof de Jura nog één keer wilde laten zien dat ze meer is dan groene weiden en rustige dorpjes. Tegen de ochtend werd het stil. Toen ik de tent openritste, lag er een frisse, heldere dag klaar.
Eerst naar de supermarkt. Brood, smeerkaas en tomaatjes. Die tomaatjes had ik gisteren ook gekocht en ze smaakten verrassend goed. Met een eenvoudig ontbijt begin ik aan dag 34 van deze reis.
In La Chaux-de-Fonds denk ik nog even aan het horlogemuseum. De stad is het hart van de Zwitserse horloge-industrie. Heel hard zoek ik er niet naar. Voor ik het weet zit ik alweer op de fiets. Vandaag trekt de route harder dan een museum.
De Jura laat zich opnieuw van haar mooiste kant zien. Open graslanden, donkere sparrenbossen en boerderijen die verspreid in het landschap liggen. Koeien kijken op terwijl hun bellen zacht klinken in de ochtendlucht.
Op Mont Soleil stap ik af voor een foto.
Daar ontmoet ik Jean-Piero.
Zijn ouders kwamen uit Reggio Emilia in Italië en verhuisden naar Zwitserland toen hij twee jaar oud was. Zijn vrouw komt uit Peru. Binnen enkele minuten praten we over Italië, over Zwitserland en over de fietstocht die ik maak.
Piero kent deze streek goed. Naar Saint-Ursanne is het volgens hem vooral afdalen. Door donkere bossen. “Morgenochtend kan het daar best fris zijn,” zegt hij.
Het is zo’n ontmoeting die een fietsdag kleur geeft. Tien minuten later rijdt ieder weer zijn eigen kant op, maar het gesprek blijft nog een tijdje hangen.
Rond elf uur bereik ik Saignelégier. Daar ligt een camping. Ik zou kunnen stoppen, maar dat voelt wel erg vroeg. De benen zijn goed en de dag is nog jong. Dus fiets ik verder.
Dat blijkt een uitstekende beslissing.
Langzaam daalt de route af naar het dal van de Doubs. Het landschap verandert. De open hoogvlaktes maken plaats voor beboste hellingen. Beneden slingert de rivier tussen de bomen door. Het voelt alsof ik een andere wereld binnenrijd.
Rond twaalf uur arriveer ik op Camping La Tariche. De camping ligt diep in het dal, aan een doodlopende weg. Verder rijden kan niet. Alleen de Doubs stroomt verder, verder van Saint-Ursanne af.
Bij de receptie hangt een briefje.
Lunchpauze.
Terug om twee uur.
Prima.
Bij het servicegebouw staan picknicktafels en er is elektriciteit. Ik zet de accu aan de lader en maak zelf ook lunch. Na vijfenzestig kilometer fietsen heb ik precies hetzelfde plan als de mensen van de receptie.
Later raak ik in gesprek met een Fransman die de route van morgen kent.
Piero had verteld over de afdaling naar Saint-Ursanne en verder naar Baselland.
De Fransman heeft ander nieuws.
“Na Saint-Ursanne wacht nog een klim van zes kilometer. Maar daarna is het vlak.”
Daar verdwijnt mijn idee van een eenvoudige slotdag door de Jura.
Maar zo gaat dat onderweg. De ene fietser onthoudt de afdaling, de andere de klim. Morgen ontdek ik zelf wel wie het beste geheugen heeft.
Voor nu zit ik aan de Doubs. Het water stroomt rustig voorbij. Morgen nog één dag door de Jura. Daarna lonkt Basel.
Vandaag eindigt in een rivierdal, op een camping aan een doodlopende weg.
Een betere plek om even stil te staan bij de laatste dagen van deze route had ik niet kunnen bedenken.
Relive

Ben jij al geabonneerd op onze nieuwsbrief?


Geef een reactie